Ontstaan van Tungelroy

Om een beeld te krijgen van het ontstaan van Tungelroy moeten we eerst een stuk terug in de tijd. Hieronder een historisch overzicht van het "Land van Weert".

Van het land van Weert is bekend dat het na de ijstijd een moerassig karakter had. Dit komt nog steeds tot uiting in oude benamingen als Kruisvennen, Braakpeel, Roeventer Peel, Leegbroek (Bro˘k is moerasland) en Stoute Koelen (Stout komt van stroet = moerassig land, begroeid met laaghout, K˘el = poel). Ook gehuchtnamen als Biest (drassig land met riet en biezen) en Schoor (moeras) duidt op drassige omstandigheden. Op oude kaarten kunnen we het moerassige landschap nog steeds terugvinden. De aanwezigheid van bossen herleiden we aan Boshoven, Hushoven (huizen in of nabij bos), Laar (open plek in bos) en Bocholt (beukenbos). De nog steeds karakteristieke boomloze zandvlakten in deze regio dateren van na 1000 als gevolg van beweiding met schapen en het afsteken van heide voor plaggenbemesting van de landbouwgrond. Op plaatsen waar de heide was afgeplagd kreeg de wind vat op het zand waardoor stuifzandgebieden ontstonden zoals de Tungeler Wallen.

De oudste sporen van een meer consistente bewoning in deze omgeving dateert van circa 10.000 jaar geleden. Het betreft dan overblijfselen van jagerskampen die waarschijnlijk langer bewoond bleven dan 1 seizoen. In de Tungelroyse Heide zijn ook overblijfselen van kleinere jachtkampen gevonden, die dateren van 8000 voor Christus. Kenmerkend was dat het een basiskamp had met daaromheen cirkelvormig kleinere jachtkampen. De Tungelroyse Heide is een voorbeeld van deze hooggelegen vindplaatsen aan oude waterlopen. In 1864 werden er askruiken gevonden. Het voornaamste jachtwapen in die tijd is de pijl en boog. We zitten dan in de Midden-steentijd. Onlangs (2010) hebben archeologen in een beekdal van de Tungelroyse Beek bij Nederweert een realtief compleet skelet van een edelhert uit 9000 voor Christus opgegraven. Het betreft hier een zeldzame vondst uit de de Midden-Steentijd. Het hert is slachtoffer van geweest van een jachtpartij, wat erop wederom op wijst dat de bewoners van Limburg "jager-verzamelaars" waren. De jagers moesten overleven in een open zandlandschap met weinig vegitatie. Ook zijn daar resten van andere oerdieren en van organisch materiaal zoals scherven en speerpunten gevonden.

Vanaf dat moment zet de mens een enorme stap vooruit door de ontdekking van landbouw en veeteelt.
Ook in Weert vindt men dan geslepen bijlen en aardewerk. De bijlen werden o.a. gebruikt voor bossen te kappen voor akkeraanleg.

Aan de
Tungelroyse Beek wordt een bronzen dolk gevonden. Deze dateert van ca 1450 jaar voor Christus. De dolk is in 2 stukken gebroken en was bovendien sterk aangetast door corrosie. De spitse punt ontbreekt, maar veel langer dan 17 cm is de dolk niet geweest. Twee van de oorspronkelijke vier klinknagels waarmee het heft aan de afgeronde heftplaat bevestigd zat zijn bewaard gebleven. De kling is versierd met twee bundels parallelle groeven. We hebben hier te doen met een dolk van de Midden-Bronstijd (15e eeuw voor Christus of iets langer), van een type dat nauw verwant is met de zogenaamde S÷geler dolken. Omdat de oevers van de Tungelroyse Beek ter hoogte van de vindplaats (nog voor de Heltenbosdijk) decimeters werden afgegraven kon op 4 april 1984 door de heren Geelen, Heerholtz een globale verkenning uitvoeren. Verder kon men niets ontdekken.
(Breuckers, A, een bronstijdsdolk in Weert)


Rond 1889 ontdekt wijlen de heer P.M. Peters, onderwijzer te Tungelroy de urnenvelden op de Boshoverheide. Als we het aantal graven in het urnenveld op Boshoven bekijken (800 tot 500 voor Chr.), dan betekent dit dat hier toen ongeveer 10 tot 15 families woonden (1000 urnen).
In de late ijzertijd (250 v Chr – 0) neemt de bevolking in Weert toe. Dit blijkt weer uit de grafvelden en nederzettingen gevonden in Molenakker en Kampershoek. Men kan spreken van een intensieve bewoning tot ver in de Romeinse tijd. Het zwerven maakte plaats voor clusteren. In 1994 vindt men een Keltische munt op een akker in Kampershoek, een teken dat in die tijd de Kelten hier leefden. Mede door toedoen van Caesar worden de Kelten door de Romeinen uit dit gebied verdreven. Uit de tijd van de romeinen zijn er deze streek 3 nederzettingen gevonden. Eentje aan de Laarderweg (ter hoogte van de voormalige lagere school), een op Kampershoek en een op Klein-Leuken. Zo’n nederzetting bestond dan uit gemiddeld 5 boerderijen (elk zo'n 20 meter lang). De afstand tussen de drie is gemiddeld 1000 meter. Ook aan de zuidkant van Weert heeft men sporen ontdekt uit de Romeinse Tijd.

In 2005 werd er bij het smalste gedeelte van de Tungelroyse Beek in Tungelroy de resten blootgelegd van een houten brug uit de Romeinse tijd. Volgens deskundigen is het de eerste keer in Nederland dat een dergelijke brug uit het begin van onze jaartelling is gevonden. Om de resten in de bodem niet te beschadigen is er op geringe afstand van de oorspronkelijke brug een reconstructie geplaatst over de Tungelroyse Beek. Jaarringonderzoek aan de eikenhouten resten van de brug hebben aangetoond dat enkele bomen die gebruikt zijn , in 27 na Christus zijn omgehakt. Ook de vondst van een Keltische munt uit de eerste eeuw na Chr. ondersteunt deze datering. Ook enkele fibulae (doek- of mantelspelden) zijn gevonden. De fibula was handig om mantels en andere kledingstukken, zoals toga's, op de schouder te bevestigen. Het is de voorloper van de sluitspeld of knoop. Hoe de brug er precies uitgezien moet hebben, is moeilijk te reconstrueren. De replica probeert zo echt mogelijk een stukje geschiedenis te onthullen.


Replica romeinse Brug Tungelroy


Resten van het onderste gedeelte van een bekisting van een waterput, Laarderweg.
Eikenhout, Romeinse Periode, 1e eeuw n. Chr.

Opvallend is dat er geen vondsten zijn gedaan uit de 3e tot de 5e eeuw (Middeleeuwen). Er heeft toen waarschijnlijk een grote volksverhuizing
plaatsgevonden naar gebieden van de Romeinse bezetter. De vroegst dateerbare aanwijzingen uit de Middeleeuwen dateren uit de Karolingische tijd (8e tot 10e eeuw). Deze bestaan uit drie bewoningsclusters van losse boerenerven, waarschijnlijk van ontginningshoeven, aan de Laarderweg, Kampershoek en Klein Leuken. De boerderijen hebben niet gelijktijdig bestaan. De bewoners waren vermoedelijk wel allemaal onderhorig aan het domein Villa Werta.


Op Molenakker zijn in 1994 twee boerderijen opgegraven uit de 8e eeuw. Ook uit de volle Middeleeuwen zijn weinig opgravingen gedaan. In de buurt van de Biesterbrug zijn twee erven uit de volle Middeleeuwen opgegraven. Het schijnt dat rondom Weert veel oude akkergebieden al vˇˇr het jaar 1000 in gebruik waren. Voor Tungelroy geldt dat er hier esdekken zijn gevonden voor plaggenlandbouw in de periode 800 – 1500. Het gaat dan aanvankelijk om niet meer dan kleine eilandjes van cultuurland in uitgestrekte bossen, moerassen en andere woeste gronden. De genoemde esdek (zie onder) werd gevonden op Theurke op de locatie waar nu het bedrijf Koppen VOF gevestigd is. In de buurt van deze esdek is ook een amandelvormige vuistbijl uit het Paleolithicum (oude steentijd, 12500 jaar geleden) gevonden door een boer van de Theurkesweg. Verder is er op de locatie Hanssenhof ook een esdek aangetroffen, echter zonder archeologische vondsten. Ook schuin tegenover de Toerist (waar een oude boerderij lag) is een esdek aangetroffen. Hier zijn ook vuursteenvindplaatsen van jagers uit de Steentijd aangetroffen. Ook is er een fragment vuursteen aangetroffen met een steilgeretoucheerde afslag uit de Steentijd. Het was bewerkt om het een functie te geven, mogelijk als schrabber. Verspreid zijn er ook delen geglazuurd aardewerk gevonden, daterend uit de periode na de Middeleeuwen. Bij Ingelshof zijn paalkuilen aangetroffen die vrijwel allemaal dateren uit de Nieuwe Tijd. Er zijn echter 2 paalkuilen die ouder zijn dan de anderen en misschien afkomstig zijn uit de Romeinse Tijd. Zeker is dit niet. Verder werden daar lode kogels gevonden uit de periode 1500-1900, evenals aardewerk uit de Middeleeuwen. Men neemt aan dat het zwerfvuil is dat in de greppels terecht is gekomen.


vuistbijlen

De drie eeuwen tussen 1000 en 1300 staan bekend als de grote ontginningsperiode. In heel Europa breidt de bevolking zich sterk uit en overal worden boerderijen gesticht en landerijen ontgonnen. Tungelroy stamt ook uit die tijd. Naar de naam Tungelroy is veel onderzoek gedaan. We vinden ook steeds weer andere verklaringen.
De eerste bewoners waren lieden van Germaanse afkomst, immers in de omtrek werden urnen opgedolven en deze bleken van Germaanse afkomst te zijn. De naam Tungelroy zoals we het nu schrijven is pas later ontstaan. Uit vroeger tijden zien we de volgende namen: Tongherloe, Tongelroe(1422), Tongelray (1573 + 1698), Tongelroy (1771, 1830), Tungelroij (1868) en Tungelroy (rond 1900). Toch denken sommige naamkundigen bij Tungelroy eerder aan een landtong of zandrug. In dit geval zou het dan een bosnaam zijn. Men geeft o.a. ook aan dat de germaanse vondsten in onze omgeving (1864: askuilen in de Tungeler Wallen, 1862: terpen in de heide tussen Hunsel en Ell) leiden directer naar de oorsprong, immers, de Tungri, een Germaanse volksstam uit de oudheid, vestigden zich in en rondom Tongeren en ook in onze streken. Zij staken oorspronkelijk de Rijn over om zich in deze streek te vestigen. Aan deze stam ontleent Tungelroy zijn naam wordt gezegd. Echter, Tungelroy heette vroger Tongelroe en geen Tungelroe!! Als we dat ook toepassen met "Tongel" zoals het vroeger genoemd werd dan betekent het "kleefkruid". Maar in de Germaanse talen bestond nog een ander woord voor ster, hemellichaam. Het is een raadselachtig woord dat geen of weinig aanknopingspunten heeft buiten de Germaanse talen. Dat woord was TUNGLA. In het Nederlands zou het "tongel" hebben geluid! Wat is dan in hemelsnaam de herkomst van dit woord? In baanbrekende boek Deutsche Mythologie (1853) verklaarde Jacob Grimm het als een afleiding van Oudgermaans Tung˘n, de voorloper van het Nederlandse woord tong. Het woord zou dan verwijzen naar de tongvormigheid van de halfverlichte maan en planeten. Doch de oudste betekenis van het woord is eerder "ster", "hemellichaam", in het algemeen dan "maan", "planeet" in het bijzonder. Volgens een overeenkomstige en evenmin overtuigende duiding slaat het woord op het grillige schijnen van de hemellichamen: vergelijk het werkwoord "tongelen" 'zich grillig als een tong bewegen', dat vooral van vlammen wordt gezegd.
Voor een volgende verklaring zouden wij een verband kunnen leggen met Gronings tongelen‘(mee)slepen; iets dragen dat zich heen en weer beweegt (zoals een kind)’. Inderdaad, de sterren slepen zich als het ware door de hemel en zijn in zekere zin beweeglijk in hun schijnen. Daarnaast bestaat er in het Gronings tongel, ter benaming van allerhande zaken die (mee)gesleept worden, zoals een bundel, een zak, een vracht en ook kleefkruid. Opmerkelijk is hierbij dat kleefkruid bijzonder veel lijkt op sterrenkruid, dat immers vernoemd is naar zijn stervormigheid. Deze Groningse woorden zijn echter zeer afgezonderd, pas laat voor het eerst opgeschreven en zelf ook van onbekende herkomst. En als Gronings tongel rechtstreeks van het hier te duiden*tungla- komt, dan komen we voor onze verklaring geen stap verder.
Hoe het ook zij, het blijft een geheimzinnig en raadselachtig woord als de sterren zelf. En is het niet prachtig om voor zulke wezenlijke zaken meer dan ÚÚn woord te hebben? (bron:
Olivier van Renswoude, mei 2013). Hiermee is de herkomst van Tungelroy nog steeds niet verklaard en zal de naam altijd geheimzinnig en raadselachtig blijven!
 
Weert is ontstaan aan een kruispunt van wegen, immers de latere buitenieŰn van Weert bestonden toen al. Rondom dit kruispunt ontstond een nederzetting op argrarisch land, die in 1062 wordt aangeduid als Wertha en in 1155 als Werd. Hier ontstond een marktcentrum. Men vermoed dat de St. Martinuskerk in de periode eind 8e – begin 9e eeuw gebouwd is. Vanaf 1139 is het zeker dat de kerk er stond. Daarom moeten we ook aannemen dat de ontginningen in het land van Weert in de 11e eeuw al behoorlijk op gang waren gekomen.

In een akte van 1290 wordt voor het eerst Tungelroy genoemd in relatie tot de vloedmolen die er toen al stond.


Replica Romeinse Brug Tungelroy december 2012



Wat is een esdek?

De Nederlandse zandgebieden bestaan uit een reliŰfrijk landschap met hogergelegen dekzandruggen en tussenliggende vlakten. De dekzandruggen zijn ontstaan in de laatste ijstijd, toen Nederland een koud en droog klimaat had (in juli werd het dan hooguit 5 graden). Het was hier een poolwoestijn en er was vrijwel geen vegetatie, waardoor de wind vrij spel had en voor grootschalige zandverstuivingen heeft geleid. De richting van deze dekzandruggen , die andere afzettingen afdekken, is bepaald door de overheersende windrichting gedurende de ijstijden. De tussenliggende vlakten worden doorsneden door beken.
Deze dekzandruggen zijn al bewoond geweest vanaf de laatste ijstijd (ca. 10.000 tot 12.500 jaar geleden). Deze gebieden waren aantrekkelijk omdat ze hoog en droog liggen. Het zijn echter van oorsprong arme zandgronden waar landbouw weinig zinvol is. Al aan het begin van onze jaartelling is men daarom begonnen met bemesting. In de Middeleeuwen woonden de mensen vooral op de flanken van de dekzandruggen en ze hebben op de hogergelegen delen gewassen verbouwd. Vanaf dat moment zijn de landbouwgronden op de dekzandruggen intensief bemest met potstalmest die vermengd werd met heideplaggen. De mest verzamelden de boeren in de stallen waar de schapen voornamelijk in de winter verbleven.

Deze oude bouwlandgronden worden ook wel esdekken genoemd. Gebieden met een esdek zijn archeologisch interessant omdat zij oude archeologische resten op de dekzandruggen afdekken. Onder deze essen zijn deze resten vaak goed bewaard gebleven. In de loop der eeuwen zijn door het ploegen typische bolvormige akkers ontstaan die nog steeds goed herkenbaar zijn in het landschap.