De oude St. Barbara kapel

Voordat de huidige kerk aan de Tungeler Dorpsstraat gebouwd werd maakten de inwoners voor hun R.K. geloofsovertuiging gebruik van de oude kapel die in de buurt van 't Theurke stond. Dat daar vroeger de kapel stond is gezien de situering van de bebouwing van Tungelroy in die tijd ook logisch. Immers "het centrum" van Tungelroy lag vroeger op Theurke en verspreid een aantal boerderijen in het huidige "centrum" tot aan Pelmersheide.

De bouw van de huidige kerk startte op 31 oktober 1792, waarbij de eerste steen gelegd werd door de pastoor van Weert, om 14.00 uur in de middag. De oude kapel begon men af te breken in het jaar 1792, op 24 oktober. De geschiedenis van de oude kapel van Tungelroy gaat ver terug. Aanvankelijk ging men uit van het gegeven dat de oude kapel er reeds vanaf 1558 stond, maar dit gegeven is inmiddels achterhaald.
De eerste vermelding van de kapel St. Barbara stamt uit 1483. In het zogenaamde goednisboek staan voor het merendeel akten in de obligatoire en zakenrechtelijke sfeer. In deze boeken, die bewaard zijn gebleven en zich in het gemeentearchief van Weert bevinden, werden met name rechtshandelingen met betrekking tot het gebruiksrecht van onroerend goed geregistreerd. In dit goednisboek wordt voor de eerste keer de kapel van St. Barbara te Tungelroy genoemd, samen met de kapel van St. Mathijs buiten de Maaspoort. Bron: de heren van Horne, Altena, Weert en Kortessem (1345-1433 door T.Klaversma).


Uit: Historisch overzicht van de parochie St. Martinus te Weert en van het kerkelijk leven binnen deze parochie: Cor Tubťe

Het is waarschijnlijk dat er ook voor 1483 al een kapel stond in Tungelroy. Op 5 mei 1414 wordt Weert in een charter voor het eerst stad genoemd. Weert kreeg hierdoor nog geen stadsrechten, maar moest het doen met bepaalde privileges. Weert heette tot minstens 1485 een vrijheid. Vanaf 1506 wordt Weert overwegend een stad genoemd. Het is dan ook vrijwel zeker dat niet Willem VI, maar de latere Willem VII -hij noemt zich here tot Horne, van Altenae en van Corthessemin 1414 een marktrecht aan Weert schonk. Hij deed dit, zo verklaarde hij, in het belang van zijn landen en in het bijzonder van de stad Weert en ook omdat hij het in strijd met Godswil achtte dat er op zondagen andere hoge heilige dagen markt werd gehouden, omdat men op die dagen God behoorde aan te roepen en te dienen. Daarom gaf hij aan Weert drie jaarmarkten op St. Bonifacius (5 juni), St. Jans onthoofding (29 augustus) en St. Barbara (4 december) en een weekmarkt op zaterdag. Wie dan Weert bezocht kreeg van hem vrijgeleide, voor zover ze geen misdrijven hadden gepleegd tegen hem of de heerlijkheid. Schuldkwesties of ruzies op een marktdag moesten zonder uitstel op die marktdag of op een andere marktdag berecht worden. Hier zien we voor het eerst de naam St. Barabara verschijnen. Ook op 30 mei 1462 komt de naam St. Barbara in Weert voor. Op 2 juni 1461 gaf de Bisschop van Luik opdracht aan graaf Jacob I om in Weert een klooster met kerk voor de Minderbroeders te stichten. In 1462 werd slechts een kleine kerk in gebruik genomen. een gedeelte van het altaar aan de noordzijde werd daar toegewijd aan de H. Barbara.

Ook na de tot op heden officiŽle vastlegging van een kapel in Tungelroy in 1483 komen we de kapel in Tungelroy regelmatig tegen:
De bestuurder van een kapel werd vroeger de kapelmeester genoemd. Tungelroy kende ook een aantal kapelmeesters:
1542: Kapelmeester van de kapel Sinte Barbara is Johan Bonten;
1553: Kapelmeester van de kapel Sinte Barbara is Jan Verheijden;
1558: Kapelmeester van de kapel Sinte Barbara is Jan Giessen;
Weert nadert dan een zeer onrustige periode. De beeldenstorm eist ook zijn tol in Weert en deze periode moet tot de verwoesting van vele kerken en kapellen geleid hebben, want in 1584 lezen we bij de bevindingen van de bisschop van Roermond "Lindanus": actum cum vicinis de novis ecclessiis parochialibus. In deze gaat het dan om de oprichting van nieuwe kapellen in de buitenieŽn van Weert. Tot deze nieuw op te richtten kapellen behoorden Leveroy, Swartbroek en Tungelroy.

Eind februari 1601 visiteerde bisschop Henricus Cuyckius van Roermond de kapel in Tungelroy (ook die van Laar en Boshoven). Deze visitering kan verband hebben met de verwoestingen van 1600. Weert was in deze periode in handen van muitense Spaanse troepen van ongeveer 2000 man. Bij een schattingen betaalden Tungelroy en Swartbroek niets, omdat ze door het muitense Spaanse leger verwoest waren. Omdat begin 1601 de bisschop Tungelroy visiteerd kan het goed geweest zijn dat de kapel van Sinte Barabara voor de tweede keer in 17 jaar verwoest werd door oorlogsgeweld.

In 1607-1608 wordt koster "Willem Stocken" betaald voor het doen van "vigilie" (avondwake) op halfvasten voor de doden, die in Tungelroy gebleven zijn in de Gelderse Oorlog. (vigilie = wacht houden, wake, vooravond van een belangrijke kerkelijke dag).

Ook in een gicht komen we de kapel tegen:
GAW ORW 4713 fol 46/47 jaar 1609: .... een hof gelegen in Tungelroy bij die capelle van St. Barbara.....

In het jaar 1616 was Jacobus a Castro bisschop van Roermond. Bij beschikkingen van deze bisschop van 22 en 26 april 1616 werden in de St. Martinuskerk twee kapelanieŽn opgericht, waaraan zielzorg was verbonden. Omdat tot dan toe alleen de pastoor in de uitgestrekte parochie met de zielzorg was belast, had hij de bisschop gevraagd om de aanstelling van twee kapelaans en voorgesteld om ter voorziening in hun onderhoud enige benefices, officies of stichtingen in de kerk en in de kapellen binnen de parochie, wie opbrengst alleen onvoldoende was en waarvan hij de vergeving had, te verenigen. Dit verzoek werd door de bisschop ingewilligd. Voor de eerste kapelanie werden bijeengevoegd het office van de broederschap van O.L. Vrouw (opgericht in 1404), gesticht op het altaar van de H. Catharina, dat van de H.H. Apostelen Petrus en Paulus op het altaar van de Allerheiligste Drievuldigheid, dat van de H. Antonius, het office van het altaar ter ere van de H. Jacob en het office van de H. Ursula, gesticht op het altaar van de H. Nicolaas. Voor de tweede kapelanie werden samengevoegd het benefice van de H. Geest en dat van het H. Kruis, alsmede de offices van de kapellen van de H. Cornelius te Swartbroek, de H. Barbara te Tungelroy, de H. Oda te Boshoven en de H.H. Mathias en Antonius buiten de Maaspoort, die tot ťťn benefice onder de naam van de H. Geest verenigd werden (GAW APM nr 11).

Wederom in een gicht komen we de kapel tegen:
GAW ORW 936 Anno 1619: ..... in Tungelroy bijde Capelle van St. Barbara .......

In de periode 1622-1623 wordt veldschutter Dirk Verlinden betaalt, omdat hij naar Tungelroy was gegaan om toezicht te houden op het maken van de straat bij de kapel.

In 1653 wordt Tungelroy geplunderd. Dit blijkt uit een burgemeestersrekening van de buitenburgemeester Jan Hendrijx uit 1653. ook de kapel Sinte Berben moest er in 1653 aan geloven. Op 18 november 1653 kreeg de tweede kapelaan opdracht van de bisschop van Roermond Andreas Creusen om op zon- en feestdagen in de 'herbouwde' St. Barbarakapel te Tungelroy de mis te celebreren. De inwoners van Tungelroy hadden hierom gevraagd, omdat de afstand tot Weert te groot was, en de wegen, vooral in de winter, nauwelijks of niet begaanbaar waren. (GAW, APM, inv nr 11).

In 1668 wordt de kapelmeester van Tungelroy, Peter Mevis opgevolgd door Peter Hillen. In deze tijd moest men voor dopen, huwelijken begrafenissen naar de Martinuskerk te Weert. In een aanklacht tegen kapelmeester Hillen lezen we dat dit laatste toch in die tijd niet altijd gebeurde. Hij had toestemming gegeven tot het begraven van verschillende kinderen. Op 23 maart 1668 wordt er een hoorzitting gehouden waarin hem verschillende zaken ten laste wordt gelegd:
- Ten eersten waer dat hij Gedaagde in sijne hierboven gestelde qualiteijt is kerckmeester ende bewaaerder van de Capelle van St. Barabara tot Tongelroy;
- Ten tweeden waer hij tot sulcken eijnde ten onderen heeft de sleutels van de selve Capelle;
- Ten derden waer dat hij de selve Capelle niet naer behooren en heeft bewaert;
- Ten vierden waer dat hij daerinne heeft toegelaeten de begrafenisse van verscheijde kinderen;
- Ten vijfden waer dat sulcks geschiet is sonder consent van de Heere Pastoor sonder cruijs offte light;
- Ten sesden waer dat de gedaagde wel heeft geweten dat dese Capelle niet en was geconsecreet;
- Ten sevenden waer dat den Gedaagde niet en heeft geignoreert off moghen ignoceeren dat volgens de Canonycke rechten ende het pastorael deses Bisdom dergelijcke begraffenissen niet en moghen gedaen worden als op geconsecreerde aerde ende in bijwesens van de Heere Pastoor off andere Priester van sijnen tweghen gestelt.
- Ten achden waer dat teghenwoordigh nog vier van der gelijcke begraffenissen oopenligghen;
- Ten neghenden waer dat den Gedaagde dijckwils versocht sijnde aen den Heere Pastor verweijgheit de selve kinders offte hunne ouders naem condigh te maeken;
Ende eijndelijck waer dat den heere Pastoor alsoo wordt verhindert om volghens sijnen pastoreelen plight de selve kinderen dien te tekeken in het begrafenisregister.
Op basis hiervan zou hij veroordeeld zijn, maar de daadwerkelijke uitspraak tast in het duister.

In 1672 wordt Jan Schaecken kapelmeester van de kapel Sinte Berb, om in 1673 alweer opgevolgd te worden door Jan Moonen, die tevens buitenburgemeester is van Tungelroy.
In het jaar 1700-1701 komen we de eerste kapelaan tegen die diensten verzorgd in de St. Barbarakapel: Caspar van Hegelsom. Hij overlijdt op 12 mei 1715 te Weert. "Betaald aan kapelaan van Hegelsom, aangetekend op de schat van Sint Barbara te Tungelroy voor de tweede kapelaan."
Ook in 1702 ontvangt kapelaan van Hegelsom van buitenburgemeester Peeter Truijen 32 gulden voor aantekening op de schat van Sint Barbara's erven onder Tungelroij, wegens rente voor de tweede kapelanie, vervallend op 4 juni, per kwitantie.

De kapelaans van de tweede kapelanie werden natuurlijk ook vervangen. Zo weten we dat op 19 juni 1715 Godefridus Janssen kapelaan werd van de tweede kapelanie en dus ook van St. Barbara. Op 18 september 1725 werd dit Mattheus Josephus Petrus Loijens. Op 5 juli 1763: Joannes Keulen; 12 april 1801: L.L. Janssens.

Beschrijving van de oude St. Barbara kapel

Jan Moonen (1756-1836) hield tijdens zijn leven een dagboek bij. Hierin staat ook beschreven hoe de oude kapel heeft uitgezien en waar deze gesitueerd was.
De oude kapel stond op de driehoek, gelegen aan de Hoolstraat, langs de weg van Weert naar Stramproy en de weg Tungelroy-Theurke. De Hoolstraat is de huidige Maaseikerweg. Op de kadastertekening van 1832 is er een driehoek te zien (tekening 1). Dit perceel is dan eigendom van L.M. Peerlings. Ook wordt de lokatie van de kapel beschreven als: gelegen tussen Hillen of bij Jan Kirkels en Heurshof. In dit laatste geval stond de kapel dus niet aan de huidige Maaseikerweg, maar meer richting Theurke (tekening 2). Onderzoek volgt nog!!


Tekening 1:


Tekening 2: de situatie zoals Jan Moonen die beschrijft

Volgens het dagboek van Jan Moonen is de oude kapel niet zo groot geweest. Deze had een afmeting van slechts 37 bij 18,5 houtvoeten dat overeenkomt met ongeveer 11 bij 5 meter. De zijmuren van de kapel waren van mergelsteen, de voorste muur en de sacristie van gebakken stenen. Deze gebakken stenen zijn nog gebruikt om de fundamenten te bouwen voor de nieuwe kerk. Ook bestaat het verhaal (zekerheid hebben we hier niet over), dat de deuren van de oude kapel gebruikt zijn voor de huidige deuren van de kapel op de hoek Tungeler Dorpsstraat/Tuurkesweg. (dan moeten die deuren ongeveer 109 jaar opgeslagen zijn!!! fictie of werkelijkheid?) Jan Moonen tekende ook een afbeelding van de oude kapel, die op basis van zijn beschrijvingen via de computer gereconstrueerd is. Hieronder de afbeelding.


Reconstructie oude kapel van Tungelroy door P. Lammeretz op basis van de beschrijving van Jan Moonen
Rechts de sacristie.