Verhalen

Verhalen over Tungelroy moeten vastgelegd worden! Doen we dat niet, dan weten we straks niet meer wat er heeft geleefd in ons dorp. Daarom roepen we op om verhalen aan te leveren! Vooral oude verhalen van vroeger zijn van harte welkom! Regelmatig plaatsen we dan een verhaal in de nieuwsbrief en verzamelen we alle verhalen op deze pagina. Maar ook liedjes en gedichten zijn van harte welkom. Kent u nog oude verhalen, liedjes of gedichten over Tungelroy? Laat het ons dan via onderstaand formulier  weten! Verder veel leesplezier met de verhalenbank van Tungelroy!

contactformulier
Verhaal T01 Biechten bij Pastoor Pont
…… Eens, bij het maandelijkse biechthoren (er stond altijd een lange file), stapte een boerendochter in de biechtstoel. Deze vrouw was geestelijk niet helemaal 100 procent. Toch ging zij iedere maand trouw biechten. Ze sprak meestal nogal luid, zodat iedereen in de wachtende rij kon horen toen ze tegen de biechtvader zei: “ik heb niets gedaan!” Pont ontstak in woede  en schreeuwde “eruit, eruit , wat kom je hier dan doen!”
 
Verhaal T02 Aaltje en pastoor Pont
Pont gaf wekelijks aan elke klas van de lagere school godsdienstles in de kerk. Zelf zat hij daarbij met zijn achterwerk op de leuning van de voorste bank met zijn rug naar het altaar. Zo kon hij zijn ‘leerlingen’ goed overzien. In een klas zat een meisje dat Altje heette. Bij het begin van elke les moest hij Altje altijd plagen door te zeggen: “Aaltje zat op een paaltje, paaltje brak en Aaltje viel in de koeienkak……”
 
Verhaal T03 Godsdienstles in de kerk bij pastoor Pont
Een andere keer tijdens de godsdienstlessen in de kerk: …. Links naast de banken was een breed looppad. Op een hoogte van ca 6 meter zat een rond glas in loodraam in de gevelspits dat met een koord van onderen uit te openen was voor ventilatie. Onder dat raam stond op een console een gipsen beeld. Tijdens de godsdienstles was al een tijdje een huismus de zaak in de kerk aan het verpesten. Plotseling streek deze neer op de dorpel van het ronde raam, dat op een kiertje stond. Pastoor Pont dacht de oplossing gevonden te hebben en sloeg met het koord naar de huismus om ze door het geopende raam naar buiten te jagen. Maar dat deed hij waarschijnlijk een beetje te onvoorzichtig en te wild. Het toeval wilde dat het koord achter het beeld bleef haken en met een snoeksprong dook het beeld naar beneden om op de hardstenen vloer in gruzelementen uiteen te spatten. De woorden van pastoor Pont herinnert de schrijver niet meer, maar zeker is wel dat hij daar enorm van schrok. En de huismus? Wel, hij of zij koos met vrolijk gesjilpt een ander veilig plekje in de kerk…..
 
Verhaal T04 Pel Door (Schonkeren) en de Duitsers
….Het is eind 1944, de oorlog was volgens kenners bijna afgelopen. Er werd gefluisterd dat de bevrijders in Weert aan de stadsbrug waren gearriveerd. Het was 22 september 1944 en aan de nervositeit van de Duitsers was te zien dat dat wel eens kon kloppen. Ze waren haastig op zoek naar vervoersmiddelen. Paarden en fietsen, alles konden ze gebruiken. Er was al langere tijd geen organisatie meer onder de Duitsers, het was een chaotische toestand. Het kwam er op neer dat ieder maar voor zich zelf moest zorgen. In de grote keuken van Pel Door zaten een paar buren koffie te drinken toen plotseling buurvrouw Truke binnen kwam lopen. Ze schreeuwde: “kom toch gauw hellepe want Door is met twie “Pruusen” aan het vechten”. Iedereen verschrikt naar buiten. En ja hoor. Twee Duitsers trokken uit alle macht aan de fiets van Door, maar Door hield zijn vehikel stevig aan het stuur vast en riep: “gae kriegtj miene fiets neet. Ich verdom ’t om dae aaf te gaeve. Noets! Gae kuntj waal eine euveral krige en unne aje hoot, dann kunnen jullie vluchte, met neet mt miene fiets….!”
Door heeft het gevecht gewonnen. Volgens informatie hebben de Duitsers verderop in Theurke ergens bij “Hossemes Sjef” toch nog een fiets kunnen pikken.
 
Verhaal T05 Esther en August Nahumury in woonoord Tungelroy
In het voorjaar van 1951 vertrokken Esther en August met hun ouders naar Nederland. De bootreis vonden ze avontuurlijk: “Er was een zwembad, je kon zelfs naar de film!” Na aankomst kregen de militairen ontslag en werden verdeeld over spartaanse ‘woonoorden’: voormalige concentratiekampen, werkkampen en kloosters. Want er heerste woningnood in het naoorlogse Nederland; normale huizen waren niet beschikbaar.
Het gezin Nahumury betrok een barak in Tungelroy bij Weert, een voormalig werkkamp. Hun woonruimte was een kamer van twee bij vijf meter, met een gordijn verdeeld in een woon- en slaapgedeelte. “We kwamen ’s nachts aan, maar de volgende ochtend was ik al vroeg op,” vertelt August. “Terwijl iedereen nog lag te snurken, sloop ik het kamp uit. Aan de horizon zag ik namelijk een torenspits. En ik had op plaatjes van Hollandse dorpen gezien dat de school altijd vlakbij de kerk stond.”
Aangezien de meeste woonoorden ver buiten de bebouwde kom lagen, werd het een fikse wandeling. “Maar toen ik eindelijk in dat dorp aankwam, hoorde ik opeens kinderstemmen: een schoolplein! Zodra de kinderen mij zagen, holden ze op mij af en gilden: ‘Zwarte Piet, Zwarte Piet!’ Ach, die kinderen wisten niet beter.”
Gelukkig kwam er een meester erbij, die zelf warempel net uit Indonesi was teruggekeerd en Maleis sprak. Dankzij hem kwam August in de eerste klas. Lachend: “Daar zat ik dan als puber in die schoolbankjes. Ng voel ik hoe de tafel op mijn bovenbenen drukte.”
Esther had op de ‘nonnenschool’ in Jakarta al Nederlands geleerd. Maar voor August is de late start van zijn opleiding een struikelblok gebleven. “Om mijn eigen kinderen geen taalachterstand te laten oplopen, heb ik mezelf gedwongen om thuis Nederlands te praten. Met als gevolg dat ze geen Maleis spreken en dat is jammer.” Esther: “Onze oudste zoon heeft later cursussen Indonesisch gedaan. Maar eigenlijk hadden we ze tweetalig moeten opvoeden.”
 
Verhaal T06 Een spookgeschiedenis
Deze geschiedenis speelt nabij een boerhuizinge, gelegen aan den rand der Pelmershei, nabij Tungelroy. Het is 's avonds negen uur. Koud en vochtig en "pikdonker".
Als iemand door het raam naar binnen gekeken had, zou hij de gansche familie bij elkaar gezien hebben, bestaande uit vader, moeder, zoon en twee dochters. Men heeft juist het rozenhoedje gebeden. Vader en zoon stoppen nog een pijpje, terwijl de vrouwen de avonddisch opruimen. Men bespreekt de werkzaamheden voor morgen en waarmede men het eerst zal aanvangen, en is het in zoverre eens, dat men de heide in zal gaan als het weer goed is. Van verschillende zijden wordt echter betwijfeld of dit morgen het geval zal zijn, daarom besluit vader de lucht nog eens te consulteren en begeeft zich te dien einde naar buiten.
"De locht is so swert als roet" zegt de man. "t kan best regene murrege".  Met wil hij zich omdraaien om weder binnen te gaan, als zijn oog heel heel ver over de heide een dwarrelend lichtje ontwaard, dat dan wit, dan rood schijnt, dan verdwenen is, om eenige ogenblikken later weer tevoorschijn te komen, en snel als een trein vooruit te vliegen. De man staat verstomd: hij roept zijn zoon, zijn vrouw, zijn dochters, en allen kijken naar het wit-rode licht, dat als een vuurbal over de heide danst. Zij zien het meer en meer naderen, hortend en slingeren, en .....de geschiedenis van het spook van de Krang, van het z.g. dwaallicht, komt hen in alle helderheid plotseling voor den geest.

De vader heeft het immers van zijn vader en deze van zijn vader gehoord, en hij heeft het aan zijn kinderen oververteld, maar tot heden heeft hij het zelf nog niet gezien. Maar.......... wat zij nu zien, dat is het spook. Allen zijn het er over eens. In de deurpost vast aan elkaar staande , schouwen zij nog altijd naar het voortvliegende licht, als het zich plotseling omdraait, en als een rood kooltje zich in de verte verwijderd. Alsdan herademt de heele familie en de vader zegt tot den zoon: "Peer, pak twie kluppels oet de scher, maak de schaopshondj los en loat os ins goan kieke wat iet es!"
Moeder de vrouw tracht de mannen te weerhouden, maar reeds is Peer teruggekeerd met twee groote stokken en den hond, en voort gaan ze in den duisteren nacht, in de richting van het lichtje, dat zich schijnt te verwijderen, en nu altijd rood is.
Wie beschrijft den schrik der vouwen! Nog waren de mannen niet ver weg of het licht werd weer wit en, als bereid den strijd met hen te aanvaarden, scheen regelrecht naar hen koers te zetten. Het werd hoe langer hoe grooter, hoe langer hoe scherper, steeds helderder..... de hond slaat aan, de boeren heffen hun stokken op, terwijl de vader schreeuwt: "Ween es doa?" ......... geen antwoord.
Nog eens: "Weem es doa?"..... en hun verbaasde ooren kregen te horen: "Ich bintj......." die dan bedaard van zijn fiets stapte, waaraan een lantaarn brandde, met wit en rood glas, en hun vroeg: "Sakkerloot waat es donkel!" "Ich bin al twie kire euver de hei gerejeen koss de weeg neet mier vinje. Zegtj mich eins, wo det ich rieje kan, om thos te koome."
.......Jummug zeije det m'nhir d'n ............." zeggen beide boeren in koor, wijzen den fietsman den weg naar Weert, en verdwijnen stilzwijgend in de richting hunner woning.
Het verdere van het verhaal, hetwelk deze week plaats greep, laten wij over aan de fantasie van den lezer.

De Kampioen (van de ANWB), 1 november 1895

 
Verhaal T07 Oud Tungelroysch volksleed 1900

Kintj g det volk van Tungelroij
Zoa irlijk en oprecht!
Door eindracht geit hie al' te gooi
en neeme geit het slecht.
Daorom loatj os e leedje zinge
op deze schoanen daag;
en loatj os mer ins danse, springe
Wie 't op Vas'loavendj maag:
Hil veul plezeer, en gein geklaag

Kintj g die plaats , woa zoveul luuj,
van wiet en van kort biej
gekome seen veur centrefuu
En botemakerie.
Ze woare wilkom al die hire
Begrepen hie heur zaak
en gingen ut weer aan anger Lire
Tot veurdeel en gemaak
De centrefuu, det es de zaak.

Kintj g 't gehucht, zoa schmel klein,
Toch euveral bekindj,
Woa riek en erm stumtj euverein
En meemes twidracht vintj!
Altd zal Tungelroy floreere,
zoalang de werreldj steit;
En dan zal eeder toch prebeere
of 't noag neet bter geit:
Tot oos gelk, det es e feit

 
Verhaal T08 Mijn dorpje (Theo Seevens)

Mijn dorpje in het groen verscholen
van boom en haag en wuivend riet.
Waar sierlijk kruist nog 'd oude molen
en de torenspits ten hemel schiet.
Waar knusjes staan de oude huizen
verspreid langs weg en wei en veld.
Met hier en daar de houten kruisen
Door vrome handen daar opgesteld.
O nietig dorpje op de aarde
maar groot toch in het oog van God.
Dat geloof en zede trouw bewaarde
en deelde in elkanders lot.
Als zijt ge klein en gans vergeten
dorpje lief en wondermooi,
Ik, ik zal je nooit vergeten
Mij zo dierbaar Tungelroy

 
Verhaal T09 "Kijk uit, lieveheertje, pas geverfd" (Hallefers Nor)
Pastoor Pont was een bijzondere man, fors van postuur en met een geweldig stemgeluid. Hij liep als gebruikelijk in een zwarte soutane en had een klein vierkant mutsje op het hoofd. Het was een "Hollander" en hij kwam uit Leiden. Zijn manier van preken en spreken, waarbij hij zich uitsluitend van het Nederlands bediende (een terloopse en veelal nog verkeerd uitgesprokenLimburgse uitdrukking daargelaten) was over het algemeen recht voor z'n raap.
Hij schrok er nooit voor terug de dingen bij hun naam te noemen en het deerde hem niet als hij daarmee lachsalvo's in de kerk ontketende. Soms maakte hij listig gebruik van het formidabele volume van zijn stem en zo kon het gebeuren dat een opmerking die - als je 't geloven wilde- slechts voor n paar oren was bestemd, plotseling voor het gehele kerkvolk verstaanbaar door de kerk schalde.
Een van zijn slachtoffers was Madelein Moons, een van de weinige dochters in het dorp, die het waagde zich op zon- en feestdagen op te maken. Ogenzwart was toen nog niet in de mode maar lippenstift en rouge werden, althans in de steden, al jarenlang gebruikt. Hoe dan ook, de brave Madelein ging op een dag met kersrode lippen ter kerke. Nu had de pastoor een gruwelijke hekel aan meisjes die zich optutten en van rode lippen moest hij al helemaal niets hebben. Hij had haar dan ook al gauw opgemerkt in de rij communiegangers en was heilig van plan zijn ongenoegen te laten blijken. Toen zij aan de beurt was en de pastoor op het punt stond de heilige hostie op haar tong te leggen kon hij, tot vreugde van de verzamelde gelovigen, niet nalaten luide op te merken: "Kijk uit, Lieve Heertje, pas geverfd!"
 
Verhaal T10 Het verhaal van de oude koster (Hallefers Nor, vertldj door Tjeu van Linj Hndrie)
De oude koster van Tungelroy, Zjang Seevens, woonde met z'n vrouw Drina in een boerderijtje, twee huizen voorbij de molen St. Anna in de richting van de Pelmershei. Het was een bijzondere man die tot ver buiten het dorp bekend was. Daar het ambt van koster van de aan "Sint Berreb" gewijde dorpskerk niet voldoende brood op de plank bracht, handelde hij ook wat in jongvee en zo. Een of twee maal per week reed hij op de fiets naar Weert, ook als hij daar geen speciale zaken had te doen. Dan legde hij aan bij "Gieleske" die caf hield net achter de tunnel onder het spoor, of bij "Tup Lei" de uitbater van een goedbeklante uitspanning, annex kolenhandel even voor de stad (Moesel). Hij dronk er dan een paar "drpkes", want daar was het hem hoofdzakelijk om begonnen.
Hij had ook altijd wat biggen in voorraad, die hij zo hier en daar opscharrelde. Meestal koos hij de laatste van een worp, want die waren ondermaats en daardoor altijd een paar gulden goedkoper. Zo had hij er eens een stelletje gekocht bij Kole Zjaak en tegelijk nog een paar op een andere plaats. In elk geval waren ze uit een verschillend nest. Toen hij thuis kwam deed hij ze bijelkaar in een kot, want hij had maar n kleine varkensstal. Dat had hij niet moeten doen wat hij had kunnen weten dat krulstaartjes zonder familieband elkaar niet verdragen. Ze begonnen dan ook prompt met elkaar te vechten. De koster bekeek het tafereel met misnoegen en dacht na. Toen kreeg hij een ingeving. Hij riep zijn vrouw erbij en sprak: "Drina, ich h
b oets g'hurdj aste doa waat ber euver sjdst, dan vchte zie neet mie! En de koster kroop in de varkensstal en Drina reikte hem gehoorzaam een paar flessen bier aan. Even later hoorde ze hem weer roepen. "Drina, bring mich ng ei paar fleskes, want ze vechte ng! En de goede Drina bracht hem alweer een paar flessen van het gerstennat. Dat had zich een keer of twee drie herhaald maar toen vond Drina het welletjes. Ze vroeg "Wie st Zjang?
"Zie vchte ng" zei Zjang. "Koom met gauw, want noe zitte ze auch ng op mich, ngerndj!" Maar ondertussen lag hij gelukzalig op z'n rug in de trog, terwijl de biggen rollebollend aan z'n jaspanden knabbelden. Hij had het bier allemaal zelf opgedronken!
 
Verhaal T11 De hoed van Sjreurs Thei (Hallefers Nor)
Het eerste Carnaval na de bevrijding werd uitbundig gevierd in Tungelroy. Er was een grote optocht waar zeker het halve dorp in meeliep. Vooral de jonge mensen hadden zich in boerendracht verkleed, de mannen in blauwe kiel met zwarte pet en rode zakdoek, de vrouwen in zwarte of gekleurde rok met horizontale banen (de z.g. "reiperok"), een zwarte omslagdoek ("plagk") en een zwarte cornet of witte muts van kant. Ook de onderduikers hadden zich zo goe en zo kwaad als het ging overeenkomstig uitgedost. Louis van Heurs hadden we zo vreselijk opgetuigd, dat de arme jongen zich aanvakelijk niet op straat durfde te vertonen. Alleen al de aanblik in de spiegel deed hem vol walging afdeinzen. Hij had een pruik van uitgeplozen henneptouw onder z'n zwarte boeren pet en een woeste druipsnor van hetzelfde materiaal. Onder het lichte vest, dat bij het zwarte trouwkostuum hoorde dat hij van baas Heurs Driek had mogen lenen, hadden we nog een kussen gestopt. Aldus uitgedost schreed hij uiteindelijk waardig in de stoet mee.
Hij had veel bekijks. Pierre van Cone Zjang was eveneens op z'n boers met klompen en Piet van 't Veldje was verkleed als boerenvrouw. Ik zie mezelf nog lopen in een zwart pak met bolhoed, een vervaarlijke snor van bont en bij wijze van horloge een levensgrote wekker op de buik. Zo vormden wij een passend deel van de bonte stoet. Sil Nel, de mooie dochter van de Cafbaas, was voor die dag mijn partner geweest: ze droeg een fraaie kanten muts en week niet van mijn zijde. We begonnen aan het eind van de Pelmershei ter hoogte van de Casters Brgk, waar toen nog het caf van Teunese Giel stond, en zo werkten we geleidelijk alle etablissementen met een bierpomp af. Als laatste was dat van Hoebe Zjang aan de beurt. Sjrurs Thei, de zoon van de kleermaker en tevens koster, was Prins Carnaval en hield, staande aan de toog of op een tafel, prachtige conferences. Als het lawaai van de feestgangers hem dreigde te overstemmen, had hij alleen maar "loestertj, loestertj!" te roepen en het werd weer stil genoeg om hem te verstaan. Voor de gelegenheid hadden we, genspireerd door een lied van de in mobilisatie populaire revu-artiest Lou Brandy, een meezinger gemaakt. Het oorspronkelijke lied luidde aldus:

Voorop gaat de Kolonel,
ki, ka kolonel,
daarachter komt het hele stel,
Van die mooie Kolonel.

De kleurrijkste figuren uit ons dorp hadden we zinvol en op rijm met al hun gekheden laten voorbij trekken, maar toen Frits van de "Sjoemker aan de beurt was om bezongen te worden bleven we steken. Hoe we ook peinsden, we hadden niets beter weten te bedenken dan

Vervolleges kmtj Sjoemker Frits,
Sji, Sja Sjoemker Frits
(voor de goede cadans met de nadruk op Mkers)

Toen maakte Thei het couplet glunderend af met een voor die tijd enigszins scabeuze zin, gevolgd door een origineel staaltje van Tungelderse "sjaele kal"of "gezauwel". Het luide meegezongen resultaat was als volgt:

Aster ei maegtje zuut,
Dan weurtjer rits,
Proont wie ein appelekits.

Het bier vloeide rijkelijk en tegen het vallen van de avond werd de stoet gedeeltelijk ontbonden. Een paar dapperen togen elkaar ondersteunend nog naar 't Teurke, aan de andere kant van de steenweg naar Weert, want daar lagen ook nog enige kroegen van naam, maar de meesten vonden het toen welletjes.
Het was donker, regenachtig, koud en vooral winderig. We waren nog maar met een paar man. Op weg naar huis vloog de hoge hoed van Prins Carnaval ter hoogte van Makkus de lucht in. In het schaarse licht van de maan die op dat ogenblik van achter een wolk tevoorschijn kroop, volgden we het zwarte hoofddeksel met de ogen op z'n wervelende tocht door het zwerk. Het daalde tenslotte in onze wei en rolde door de ontstuimige wind gedreven, hippend over molshopen en anderen oneffenheden voort. Thei in paniek. Maar wij er achteraan. Prikkeldraad versperde ons de weg, regenvlagen verblindden onze ogen, modderpoelen deden ons uitgluiden, maar wij zetten manmoedig door. En het overmijdelijke gebeurde.
Een wolk schoof over de maan en in het daarop volgende duister geraakte Thei te water. We hielpen hem met onderdrukt gelach uit het kanonsgat dat de Engelse bevrijders hadden achtergelaten en toen hij rillend van de kou weer vaste bodem onder de oeten had, vonden wij zijn hoed die in ons hek van het erf was blijven steken. Hij durfde onder deze omstandigheden moeder Gontje en z'n zusters niet onder ogen te komen en besloot voorlopig met mij mee naar huis te gaan. Hallefers lag immers maar een honderd meter van zijn eigen woning. Daar was Wullem nog op. Hij zat met zijn zwager Cone Zjang achter een borrel en een grote schaal met zure zult. We hebben Theid kleren zo goed mogelijk gedroogd bij de plattebuiskachel en z'n hoed afgeborsteld. De "Huitkies" viel er na het bier van de dag en de recent doorstane emoties prima in. Thei sloop diep in de nacht naar z'n huis. Z'n familie had niets gehoord.

 
Verhaal T12 Ich gluif toch det zie 't gehurdj hbbe (verteldj door Hallefers Wullem)
Op 't Teurke doa woendje vreuger unne bor, zoe 'n echt drrepstiep en det waas eine d waas neet van'e slumste. H hedje Koeb en d haaj op unne daag greunzoad, det s sloerzoad, op d'n droad hange veur loate te druge. Mer doa kwoome allemoal mssen aan en doe zagt Koeb: "Zgk Br, 't is mich waal erreg mt de msse, die haale mich d'n hiele zoad ewg!" "Och det s niks", zagt Br, "doa msten op sjeete!"
"Sjeete, sjeete?", zagt Koeb, "ich h
b gei gewr!" "Nou", zagt Br, ich hb d'r biej os ein, ich sel 't ins haale".
En doe gingder heivers en haaldje zich eine booveleejer. Doa hbste misjien ng noets van g'herdj, mer det woore van die odwetse gewre, booveleejers. Doa m
ste ze ierst pollefer in doon en dan haachel en dan ein prop papeer. En dan zatte zie doa ei slaagheutjen op.
En B
r maakdje det kloar en doe mst d'n angere mer sjeete, mer d waas ein bitje lomp. "Ich sjeet neet, ich sjeet neet", zagt Koeb, mar Br zagt: "Nae, sjeet dich mer!" D'r waas geine ms mie te zen want die zoote van sjrik intreentj in Roy. En doe zagt Koeb: "Ich g'luif tch det zie 't g'hurdj hebbe!"
 
Verhaal T13 Wore Leefdje (verteldj door Kole Giel)
Eine jng oet Tungelder verheurdje zich as knecht biej unne bor, woe ein dochter waas. Ze zagte teegen hum: s det niks veur dich?
Noa waas det mgtje hiel klein van pestur. Doe zagter: doa krieg ich nog geinen drst op, al haaj ich eine zak zot op! Mer h ster waal mt getrouwdj!
 
Verhaal T14 Het oude liedje van Tungelroy (auteur onbekend)

Wie kent niet het dorpje omgeven
door prachtige bossen en hei.
't Is daar waar de eendracht het leven
de mens maakt gelukkig en blij.
Dit dorpje ik zal het U noemen
Is Tungelroy alom bekend
Wij mogen ons daarom beroemen
geen mens die zich hier niet gewend

Refrein:
Daarom zinge alle luid
Tungelroy's dorpje zo mooi
Welk een lollige guit
kent niet het dorpje Tungelroy
Is er concert, kermis of feest
Tungelroy is druk bezocht geweest
Drink er een biertje of gaan naar de meid
Alles is netjes op tijd

En gaan we des zomers kamperen
naar andere dorpen of stee
dan zijn we wel deftige heren
maar toch zijn we nergens tevree
Je vindt niet het rustige leven
Je vindt niet die eendracht zo fijn.
Daarom liever thuis gebleven
Want Tungelroy moet er toch zijn.

Refr

En mogen we vooral niet vergeten
de meisjes van Tungelroy
al zijn ze ook bijna versleten
maar toch zijn ze lieflijk en mooi.
En mogen we een wandeling maken
met zo'n meisje dan zijn we content
en mocht ons het kussen niet smaken
dan vragen we beleefd twintig cent.

Refr

Verhaal T15 De weerwolf

De weerwolf kwam op versschillende gedaantes voort, maar meestal in de vorm van een mens op 'n gedrocht lijkend, klein van gestalte. ook kwam hij voor als 'n soort ruigharig dier op 'n hond lijkend. Het is vroeger veel gebeurd dat op eenzame landwegen in de late donkere avond wanneer iemand huiswaarts keerde eensklaps besprongen werd door de weerwolf, deze sprong dan op de rug, sloef de armen of voorpoten om de hals en liet zich dan meerijden. Wanneer deze rit zo enige tijd geduurd had, liet hij los en verdween weer gewoonlijk in 'n of op 'n soort van knoteik. De knoteiken waren plaatsen waar de weerwolf zich op hield, deze staan ook nu nog langs vele wegen. Zo ie hier in Tungelroy 't Pleunestraatje, daar dorst vroeger nooit in de avonduren door te gaan want was er niet de weerlwolf dan was 't toch 'n soort gedrog dat de wandelaar besprong. En volgens de legende moet hier de oorzaak gelegen hebben omdat hier 'n kasteel heeft gelegen dat in 'n nacht verzonken is en aan de soort grachten die volgens mijn wetenhier lagen en nu nog gedeeltelijk te zien zijn, kan hier wel sprake van zijn geweest. Ook gebeurde het dat in de avond 'n voerman huiswaarts keerde, de weerwolf bij hem op de kar sprong en zo meereed, 't paard was dan op korten tijd nat van zweet van de zware last die 't moest trekken. Wie de weerwolf was dat wist niemand, evenmin waar hij vandaan kwam.
(Bron: Meertensinstituut Notulist L.W. Beelen, 1953, Id LYSTO 14, verteller J. Lambers, type: sage)
Verhaal T16 Kabouters

Kabouterkes of oavermannekes kwamen vroeger voor in de Tungelroyse wallen en in de Kelkerken 'n eind achter de hier genoemde wallen. Deze personen of wezens werkten altijd 's nachts aan hun holen waar zij in woonden, en wanneer ze gereedschap gingen lenen bij 'n boer in de buurt dan kwam het altijd mooi blank geschuurd terug. Wanneer men hun bezigheid niet stoorde dan waren ze zeer goedaardig maar in tegendeel wanneer men ze 't lastig maakte, dan kon men er op rekenen dat ze in de avond die persoon in zijn wandeling vervolgden, hem van de weg afholpen en den helen nacht lieten ronddolen en zijn plaats van bestemming niet vond aleer 't licht werd.
(Bron: Meertensinstituut Notulist L.W. Beelen, 1953, id LYST15, verteller J. Lambers, type: sage)
Verhaal T17 Elf Alf

Hier is wel vroeger een geest geweest en die huiste langs eenzame wegen in heuveltjes. Voor deze geest was geen naam, maat 't volgende houdt misschien wel verband daarmee: Wanneer iemand zo'n weg moest volgen waar die beruchte plek was, dan werd van te voren gewaarschuwd: "wees voorzichtig, want dan krijg je de tinneschoenen (dit woord is misschien verdraaid want 't kan volgens mij ook afkomstig zijn van teeneschoenen) aan." Teene is afkomstig van wilgen dus 't kan ook geweest zijn houtenschoenen. Maar waneer dit persoon 't gevaar trotseerde dan gebeurde het dat hij aan die plek kwam en dan ineens heel moeilijk en zwaar moest lopen en verdwaald raakte en zodoende de gehelen nacht rondliep zonder op de plaats van bestemming te komen.

(Bron: Meertensinstituut Notulist L.W. Beelen, 1953, ID LYST16, verteller J. Lambers, type: sage)

Verhaal T18

Hieronder volgen 8 liederen in 1966 door Tungelroyse mensen gezongen. Opnames zijn ook in Tungelroy gemaakt voor het radioprogramma "Onder de Groene Linde".

Gezongen door Elisabeth Janssen-Lenders, geboren 11-03-1926 te Stramproy. Ze leerde de liederen van een oude naaister. Opname 09-05-1966.
"Zeg vrienden sta hier in de ronden" -> naar MP3
"Zeg vrienden luister wat ik hier ga verhalen..." -> naar MP3
"Een witte duif kwam door de kerk gevlogen" -> naar MP3

Gezongen door Elisabeth Stals-Moonen, geboren op 13-12-1883 te Stramproy. Zij was in Tungelroy de buurvrouw van Lies Janssen-Lenders.
"Zonder werk en zonder voedsel" -> naar MP3
"Bij de wieg van hare lieveling/Zit zij eenzaam" -> naar MP3
"Aanhoord en ziet Gods wonderwerken" -> naar MP3
"Ach God en ik leef in nood/En ik heb mijn lief" -> naar MP3
"Schoonlief ik trek naar het slemeur" -> naar MP3
Verhaal T19 Spiritijnse herinneringen (I)

Verteld door J. v. Vegchel C.S.Sp
Vanuit al onze huizen werd er nog steeds naar mogelijkheid assistentie verleend aan de parochies in de omgeving. Indertijd gebeurde dat natuurlijk ook vanuit ons missiehuis te Weert. De meest bekend, of beruchte, was onze assistentie in de parochie te Tungelroy, tussen Weert en Stramproy gelegen. Daar zwaaide bij mijn komst in Weert pastoor Pont al meer dan twintig jaar de scepter en hij deed dat met zoveel allure, dat het altijd wel een verhaal opleverde. Pastoor Pont leek een beetje op Don Camillo. Hij was geboren te Leiden, had in Rolduc gestudeerd en was om een of andere, voor ons onduidelijke, reden in het bisdom Roermond blijven hangen. Hij had zich het Limburgs eigen gemaakt, maar wel met een fraai Leids accent. Zijn huishoudster luisterde naar de mooie naam Roos en als je voor de eerste keer in de pastorie kwam, werd die door pastoor Pont steevast voorgesteld met de woorden: "Dit is Roos, maagd en martelares en van dat tweede ben ik zeker."
Verhaal T20 Spiritijnse herinneringen (II)

Verteld door J. v. Vegchel C.S.Sp
Toen ik van het bisdom Roermond, met name van Mgr. Feron, de vicaris generaal, jurisdictie had gekregen, kreeg ik al spoedig het verzoek om in Tungelroy te gaan biechthoren. Het kerkvolk kwam dan aanlopen en knielde voor hun biecht. Ik kon niet onderscheiden wie het was die zich aanmeldde, want de mannen hielden hun pet voor het gezicht en de vrouwen bogen zo diep voorover, dat ik hun gezicht ook niet kon zien. Opeens hoorde ik van de overkant de stem van pastoor Pont: "Wat zeg je? Hoeveel keer? Foei, foei! Leve het biechtgeheim! Even later weer de stem van de pastoor, nu duidelijk naar mijn kant: "Zeg pater, schiet eens een beetje op. Ik krijg hier niets dan kwezels!" Zo ging het door, de ene biechteling naar de andere. Spoedig wist ik niet meer hoe laat het was, maar ik kon het zo ongeveer schatten aan de luchtjes die ze bij me binnen brachten. Vier uur, mest. Vijf uur, Sunlightzeep, Zes uur, stampot wortelen met uien, Zeven uur, bier, Acht uur, jenever!
Verhaal T21 Spiritijnse herinneringen (III)

Verteld door J. v. Vegchel C.S.Sp
Rond zes uur kwam Pastoor Pont uit zijn hokje en zei tegen de aanwezigen: "Mensen, ik ben even weg, de pater blijft zitten."Hij ging een boterham eten en ik kon doorgaan. Om zeven uur was het even rustig. Vanuit de sacristie riep Pont: "Pater, hier staat een kop koffie en een kadetje, maar opschieten, want we kunnen de mensen niet te lang laten wachten."Rond acht uur was het merendeel van de parochianen gepasseerd. Ik liep met pastoor Pont wat door de kerk en op een gegeven moment kwam er een jong vrouw binnen. Op haar hoge hakjes trippelde ze hoorbaar naar voren: tik, tik, tik... en ze ging aan mijn kant knielen. Pastoor Pont kende haar en zei tegen mij, z dat dat goede wicht het kon horen: "Pater, pas op, dat is een lichtekooi. Die vrijt met een marionier (marinier)." Het meisje kreeg het schaamrood op de kaken en ik moest haar geruststellen. Zo werd het kwart voor tien. Er waren bijna geen mensen meer, maar ik mocht nog niet naar huis. Natuurlijk wist Pont dat er nog iemand zou komen en dat klopte ook.
Vijf minuten voor tien ging de kerkdeur open en de heer Moors, een broer van de latere bisschop van Roermond en leraar aan het bisschoppelijk college in Weert kwam binnen. Later bleek dat hij dat altijd deed en zijn late komst ontlokte pastoor Pont altijd dezelfde hartgrondige verzuchting: "Ja, ja, daar heb je eindelijk die dikke vette Moors. Woont met zijn kont tegen de kerk, maar denkt: de pater wacht wel op mij!" Ik zag mijnheer Moors, de overbuurman van de pastoor, glimlachen. Hij had er kennelijk plezier in om de pastoor te plagen. Zo hoorde ik later dat hij bij stemmingen, als enige van het dorp, op de Partij van de Arbeid stemde, terwijl alle anderen K.V.P. stemden. Dat ontlokte pastoor Pont de zondag daarop een tirade in de richting van mijnheer Moors, die vooraan in de kerk zat: "Ja, daar zijn weer stemmingen geweest, h, parochianen van Tungelroy! Allemaal K.V.P. behalve die ene rooie! Maar ik ken hem! De duvel zal hem halen!"
Zo werd het op een boeiende manier toch tien uur, tijd om naar Weert terug te fietsen. Maar eerst moest er nog afgerekend worden. Ik kon me daar weinig bij voorstellen, want ik was niet ingelicht. Daarom was ik heel benieuwd wat ik zou beuren. Ik kreeg zegge en schrijven vijf gulden! Verbaasd keek ik de pastoor aan: "Vijf gulden voor zes uur biechthoren!?" "Toen u, paters, nog voor een dubbeltje op uw knien van Weert naar Tungelroy kropen, toen waart u goede paters. Maar nu....!" "Pastoor",  zei ik, al wordt u honderd jaar en ik tachtig dan nog zult u het nooit meemaken dat ik voor een pastoor op de knien ben gevallen." "Pater, gij zijt in den kerkelijken ban!!" Hij liep weg en kwam terug met een extra gulden. "Hier, zei hij, koop daar maar lolly's voor!" "Dank u wel mijnheer pastoor, en als u ons nog eens nodig heeft...". "Ja, dat spreek ik wel met Nico Tekstra af. Wel te rusten." Ik fietste naar huis terug, nog mijmerend over wat er allemaal gebeurd was in die paar uur dat ik voor het eerst kennis maakte met het pastoraat en dat van Tungelroy!
Verhaal T22 Spiritijnse herinneringen (IV)

Verteld door J. v. Vegchel C.S.Sp
Soms mocht ik bij pastoor Pont naast het biechthoren ook wel eens assisteren op zondag of bij grote feestdagen. Zo mocht ik meemaken  dat hij op de eerste zondag van het jaar het zogenaamde zielenboek voorlas. Dat was het verslag van het afgelopen jaar, waarbij vermeld werd hoeveel kinderen er geboren en gedoopt waren, hoeveel vormsels waren toegediend, hoeveel communies uitgereikt, enz. Ik zat op het priesterkoor en beluisterde hem. Hij was trots op zijn parochie. Toen hij aan het aantal overledenen toe was, hoorde ik hem met stemverheffing zeggen: "Overleden! Overleden..>! Parochianen van Tungelroy, luister goed! Overleden: Niemand!... Niemand!... Waar denken jullie dat de pastoor van moet leven?" De hele kerk schoot in de lach.
Verhaal T23 Bierviltjes

Verteld door Jo Roelofsen
Lokatie: Caf de Krang Swartbroek
Ongeveer 30 jaar (jaren zeventig vorige eeuw) geleden was ik op kermismaandag in cafe de Krang. Het was ongeveer 17 uur. Nolle Gielke (70 jaar), een bekende Swartbroekenaar was er en ook Pier Jacobs (Pier van Tieve) uit Tungelroy de bekende veehandelaar op een brommer. Pier zei tegen Gielke "ik ga even mijn boterhammen uit de brommertas halen". Hij kwam terug, legde de boterhammen op de tafel,  bestelde een pot bier en zei, "ik ga nog eerst pissen". Ondertussen dat Pier weg was stopte Gielke tussen iedere boterham een half bierviltje. Pier die er al genoeg gedronken had pakte bij terugkomst zijn pils en at de boterhammen op met de viltjes ertussen. Iedereen die het zag bulderde van het lachen. 
Verhaal T24 Spiritijnse herinneringen (V)

Verteld door J. v. Vegchel C.S.Sp
Een vermeldenswaardige herinnering heb ik aan de eerste Goede Week vieringen volgens de nieuwe liturgische regels. Nico Kekstra had met pastoor Pont de diverse plechtigheden doorgenomen en de afspraak was dat alle gezongen gedeeltes door 'de pater'gedaan zouden worden, want al die nieuwe Nederlandse gezangen, daar kon hij niet meer mee overweg. En zo gebeurde het.
Palmzondag ging nog aardig goed. Dat kon ook min of meer 'ouderwets' met palmprocessie en al. Wij twee zongen het lijdensverhaal en hoorden de pastoor mompelen: "Wat mooi, wat mooi!" Ook de Witte donderdagviering leverde weinig problemen op. Pastoor Pont preekte vurig over het Laatste Avondmaal en de Heilige Mis.
Op Goede vrijdag begonnen de moeilijkheden. De viering werd 's middags om drie uur gehouden. We waren op tijd. De misdienaars kwamen ook in de sacristie. Pastoor wendde zich tot hen: "Jongens, nou moet je eens goed luisteren, direct gaat jullie pastoor iets doen wat je nog nooit hebt meegemaakt. Jullie pastoor gaat op zijn buik voor in de kerk liggen. En nu waarschuw ik jullie: stoot niet tegen mijn benen, want dan draai ik rond als een tolletje!" Pastoor Pont was namelijk stevig van gestalte en had een echte pastoorsbuik. De jongens konden hun lachen niet inhoudenen hij reageerde: "Ja, ik vind het ook gek, maar de paus wil het zo." De dienst begon, in stilte natuurlijk, want het was Goede Vrijdag, de klokken waren naar Rome, zoals gezegd werd, en wij gingen gedrien voor het altaar op de grond liggen. Meteen schoten een paar boerenjongens uit de banken en kwamen naar voren, in de mening dat de pastoor iets overkomen was. Ze wilden hem overeind helpen, maar pastoor Pont zei wat kortaf: "Laat liggen, dat moet zo van de paus!" Verder verliep de dienst zonder incidenten. Toen wij in de pastorie nog wat napraatten onder het genot van een kop koffie, zei pastoor Pont ineens: "Paters, wat denken jullie ervan? Ik ga een fles wijn opentrekken, want Hij is nu toch dood en wij hebben het niet gedaan!"(Echt waar gebeurd).
Verhaal T25 Spiritijnse herinneringen (VI, slot)

Verteld door J. v. Vegchel C.S.Sp
Daags na Goede Vrijdag vierden we de plechtige Paaswake voor de eerste keer in de avonduren. De kerk was goed bezet en pastoor Pont, geassisteerd door Nico Tekstra en mijn persoontje, voelde zich tevreden maar ook een beetje gespannen. Al die nieuwe dingen brachten hem van zijn stuk. De dienst begon, de koster doofde de meeste lampen en wij schreden naar achter in de kerk om daar het nieuwe vuur te gaan ontstekenen de Paaskaars te wijden. Lopend door de middengang hoorden we pastoor Pont zeggen: "Wel ja, de hele kerk in het donker, met al die meiden erin. Jongens, kijk voor je en hou je handen thuis!" De koster had achter in de kerk een vuurpot neergezeten het vuur aangestoken. Vanwege de donkerte konden we niet alles onderscheiden, maar na een paar tellen hoorden we de pastoor zeggen: "Als dat de cliviapot van de koster niet is!"

             
Cliviapot

En jawel hoor, het vuur brandde volop in zo'n antieke bronzen clivia-omzetpot, die in die dagen in bijna elk huishouden te vinden was. De Paaskaars werd ontstoken, de pastoor deed zijn koorkap af en hing die Nico om en deze zong driemaal: "Licht van Christus". De Paaskaars werd op de kandelaar geplaatst en Nico zong "Laat juichen, heel het hemelkoor van Engelen...". Eerlijk gezegd klonk dat Nederlands niet zo mooi als het oude Exultet. Nog steeds zweeg het orgel, tot na de lezingenen de inzet van het Gloria. Toen het zover was, stonden we met z'n drien voor het altaar, met de rug nog steeds naar het volk. Ja, niet alles kon meteen gedaan wordenen het altaar omkeren was voor pastoor Pont nog even een brug te ver. Zonder orgelbegeleiding zette Nico het Gloria in: "Gloria in excelsis Deo". Toen barstte de paasjubel los. De klokken begonnen te luiden en het orgel schalde door de kerk, terwijl het zangkoor uit volle borst het Gloria verder zong. Wij, voor het altaar, baden met pastoor Pont de tekst van dit loflied, dat ging ongeveer zo: Et in terra pax hominibus, bonae voluntatis. "Moet je toch die klokken eens horen! Mooi he!" "Laudamus Te. Benedictus Te"... "wel ja, alle kinderen wakker!" Adoramus Te. Glorificamus Te". "Wat een rare paus!" "Gratias agimus Tibi propter magnam gloriam tuam". "Moet dat nou? Wat mooi, wat mooi...!" Ik had het idee dat de pastoor de tranen in de ogen sprongen. Wij haddden de grootste moeite om niet in lachen uit te basten. Zo ging dat de hele viering door. Het was een bijzondere ervaring.
Pastoor Pont, een legendarische figuur, is stokoud geworden, woonde nog vele jaren in Stramproy en als we hem in Weert nog eens tegenkwamen, schreeuwde hij vanaf de overkant van de Singel: "H, gevallen aartengelen, hoe is het toch met jullie?" Hij is meer dan negentig jaar oud geworden. En zo vaak hij kon, ging hij bij de paters Franciscanen biechten. Maar ook daar wilde hij niet voor uitkomen. Als we hem ernaar vroegen, zei hij met verontwaardiging: "Ik ben zwart geboren, ik heb zwart geleefd en ik zal zwart sterven." Een markante figuur en de herinneringen aan hem zal me altijd bijblijven.

Verhaal T26 Het zigeunermeisje en de kraai in Tungelroy

Publicatie: 14-05-1980 De Nieuwe Koerier
Verzameld en bewerkt door Leo Janissen
Oude vertelsels

Heel lang geleden lag er onder een boom in Tungelroy eens een zigeunermeisje te slapen. In die boom zat een kraai die plotseling tegen het meisje begon te praten. "Luister eens, ga je ginds bij die boerderij als hulp verhuren en blijf daar zeven jaar. Na die tijd zal ik terugkomen." Hierop vloog de zwarte vogel weg en het meisje ging naar de boerderij, Oud Heurs geheten. De boer kon haar hulp goed gebruiken en zei: "Begin maar met de koeien te melken". Het meisje, dat nog nooit gemolken had, liep met kloppend hart naar de stal. Maar zie, ze had nog maar net de emmer onder de koe gezet of de melk liep er vanzelf in. De volgende dag stuurde de boer met een riek spreiden. Ook dit had het zigeunerkind nog nooit bij de hand gehad, maar toen ze op het veld kwam, vloog het mest vanzelf uit elkaar over de akker. Uiteraard was de boer uitermate tevreden over z'n goede hulp.
Op oud Heurs werkte ook een knecht die verliefd werd op het zigeunermeisje. Hij probeerde wel eens om 's nachts op het zolderkamertje waar ze sliep, te komen. Telkens wanneer hij de trap, die naar het kamertje voerde, was opgeklommen, stond hij op onverklaarbare wijze weer beneden en moest hij opnieuw beginnen. Zo ging dat vaak vele nachten. Nooit kon hij het meisje, dat door de kraai zo zichtbaar werd beschermd, bereiken. Toen de zeven jaren om waren, gaf de boer een groot feest en nodigde veel deftige heren uit de omtrek uit. Aan tafel gezeten, waar het knappe zigeunerkind serveerde, sprak de boer over zijn handige hulp. "Die laat ik nooit meer weggaan", verklaarde hij aan de gasten. "Het is onvoorstelbaar hoe handig zij is". Toen kwam een van de heren overeind, nam het meisje aan de arm en zei: "Dat had je gedacht. Ze gaat met mij trouwen. Ik ben de kraai die haar zeven jaren beschermd en geholpen heeft". Hierop verdwenen beiden naar buiten en werden nooit meer in Tungelroy gezien.

Verhaal T27: Volksleed 1947

Wies: Zachtkens klinkt het avondklokje
Aangeleverd door: Margriet Veuskens

In ein heukske,van oos lendje,
Liktj ein durpke,o,zo sjon.
Eder mins hoet dao te eten,
En vergeten kantj ig noeit.

En de maigtjes out det durpke,
Zeen hiel braaf en werken good.
Vrieje doon ze, aug bekans neet,
Want det zitj heur neet in ’t blood.

Hiel gooi jongens kondje vinje,
Euveral, mer hiej hiel trouw.
Daorum kriege, alle jongens,
Van dit durp ein flinke vrouw.

G kontj ’t dinke,waat we meine,
Det plaitske, det is Tungelrooy.
Det het zo toch……………….
Dan veural gei ’t t….gooi.

Deze woordjes onbreken …………..
door de vouw van oud papier weg gesleten.

Verhaal T28: Vastelovendjleed 1947

Wies: onder mijn molen

Alle minse doon hiel gek, doon hiel gek.
’t Is vanstenaovendj, 2x.
Ederein maakt veul plezeer,
Drinken aug ein glaiske beer.
Alle menkes van dit durp, van dit durp.
’t Is vastenaovendj, 2x
Drinken aug ein drupke snaps,
En verkaupen hiel vul kwats.

Alle wiefkes van dit durp, van dit durp,
’t Is vastenaovendj, 2x.
Paktj de menkes, bie den nek,
En gooi ze rondj, jao wie eine gek.

Alle jongens van dit durp, van dit durp,
’t Is vastenaovendj,2x.
Gaon dan out met ein maigtje sjoon.
En kriege dan ’t verdeendje loon.

Alle maigtjes van dit durp, van dit durp,
’t Is vastenaovondj, 2x.
Ltj eug neet lompe, dootj aug met aan,
En laoptj vandaag, met de jongens saam.

Alle minse van dit durp,, van dit durp,
‘tIs vastenaovondj, 2x.
Maakt plezeer, zooveul astj geit,
Mer zeetj binnen veural op tijd.

Astj ge vraegtj wi laat mot det,
laat mot det,
Op vastenaovendj, 2x.
Det weit ig nou aug al neet,
Astj ge murge thoes mer zeetj.

Htj veural eur good fatsoen, good fatsoen,
Op vastenaovendj, 2x.
Angers kriegtj ge later last,
Daorum alle nou opgepastj.

Verhaal T29: Gediplomeerd voetkundige

A. Zondertuis

Er stond een advertentie in 't Streekblad van 's Gravensande:
"Mina" valt op je likdoorns aan!,
Mina werkt met haar TANDEN!"

Die slagzin sloeg geweldig in bij kippetjes en heren.
Daarom ging Mina Kiekelkorn maar door met adverteren:

"Mina verlost je van de pijn.
Als het wurmen is gedaan, dan gaat ze met haar lompe klomp op 't likdoorngatje staan."

HOERA! - tenen", las 'k huiverend, "die hamert Mina recht.
ALS je weer bijkomt geeft ge toe:
't is niks te veel gezegd."

Verhaal T30: Bankoverval

A. Zondertuis

'k had zjuust gelezen van een bankoverval.
En dacht: "voor je iets vraagt, krijg je 'n ton dikwijls al.

Ook gist'ren ging 't goed. En man riep "geef op!"
En wat kreeg hij contant? 80.000 pop.

Ik besloot toen heel slim: "Dat ga'k k eens proberen"
"Geef de brandkast eens aan?" zou'k doodleuk commanderen.

Met een kinderpistool, nylonkous over de kop
sloop'k een bank in en riep:
"Hl de spaarpot: Geef op!"

Maar een meid trok mijn kous weg, 'k riep om hulp per abuis,
Ben jij niet, vroeg dat loeder, "A.Zondertuis?"

Verhaal T31: U vraagt - wij draaien

A. Zondertuis

Een boer bij Zundert zond een schrijven naar Hilversum, met het verzoek
een plaatje voor hem op te zetten, "een man met de Manchesterbroek."

Schreef hij "mot geen vioolgefemel. Om Bach of Luns geef ik geen zier.
Speult u maar "Hannes op den Buuten, zoiets vinden wij mieters hier.

Eerst hoor je niks als koeien loeien, maar dan bijt'k lelijk op mien snor
't is krek of ik mien eigen zeug hoor, 't wordt zo'n komiekerig geknor

Dat Pleun en ik naar asem hijgen. Dt noem'k nou boere roometiek.
Maar 'k denk vaak, als u "Op Verzoek" draait:
Ongesilovizeerd publiek.

Verhaal T32: Dokter op bezoek bij de oude koster

Thei Neijnens

Dokter Wuisman was op bezoek bij de oude koster en vroeg hoeveel pijpen hij iedere dag rookte. Ja zei de koster een pijpje of vijf –zes . Het waren er toch wel wat meer, maar , zei de koster tegen Mina , hoe komt de dokter dat aan de weet. Och zegt de koster ,ik ga eens bij Pel Berb en Wullem op bezoek en vertelt ook maar dat de dokter op bezoek is geweest en hem verteld heeft dat hij maar vijf of zes pijpjes rookte , maar het zijn er toch wel zo’n vijfentwintig zei de koster. Een week later komt de dokter weer even op huisbezoek en vraagt weer , en hoeveel pijpjes koster ? Een stuk of vijf –zes zegt de koster. vijfentwintig – zesentwintig zegt de dokter. Mina zegt de koster later : de boodschap is overgekomen.
Verhaal T33: Dokter komt weer op bezoek.

Thei Neijnens
De koster had vreselijke pijn aan zijn been en de dokter moest komen.  Zo , kostertje doe je broekspijp maar eens naar boven . Toen de dokter alles had bekeken  en medicijn had voorgeschreven vertrok hij weer. Mina zegt de koster , roep de dokter even terug. Mina  roept de dokter en zegt dat vader nog iets moet vragen. Wat zal het zijn koster ? Ja meneer de dokter , mag  die broekspijp weer naar beneden ?
Verhaal T34: Koele Sjaak en Wils Lei
Thei Neijnens

Bij koele en Wils gingen ze mekaar altijd helpen als er iets speciaals te doen was. Zo ging Koele Giel bij Wils de biggen castreren ,waarvoor hij steevast een sigaar kreeg van Lei. Wils Lei kwam bij koele altijd helpen als er een koe moest kalven en kreeg daarvoor natuurlijk ook een sigaar. Zo gebeurde het dat Giel aan Lei een sigaar gaf voor zijn hulp. Lei stak deze aan , haalde een paar flinke trekken  en zei tegen Giel, dat is ook een slechte sigaar. Waarop Giel antwoordde  : dat dacht ik ook , want die heb ik de vorige keer van jouw gekregen.
Verhaal T35: Koele Sjaak en Koone Kob
Thei Neijnens

Het was een lange droge zomer geweest , maanden niet geregend, Koele sjaak kwam uit de Well gewandeld door de Meussenstaat, dat was in die tijd nog een mulle zandweg. Het had amper geregend, hier en daar was er een druppeltje te zien in het zand, zegt hij tegen Koone Koeb die hij toevallig tegenkwam, het heeft hem weer eens flink nat gemaakt. (inne weik gezatte ).
Verhaal T36: Kuubpe Verspagen
Thei Neijnens

Kuubke Verspagen was de veldwachter  (Booi) van Tungelroy, zo had hij de taak stropers te pakken .In die tijd waren er nogal veel stropers in Tungelroy. Een van die stropers was Pel Door. Door had zijn val in de Well liggen om daar een haas te vangen. Kuubke had dat al lang ontdekt en had zich verdekt opgesteld, wachtend tot Door de haas kwam ophalen. Maar Door had kuubke ook ontdekt , hij neemt de val mee en rent naar huis. Thuis aangekomen gooit hij de val boven de mestvaalt in een boom.
Dit had Kuubke net niet gezien , maar dacht dat Door de val onder het mest verstopt had.Kuubke vroeg aan Door een riek, welke hij ook kreeg en begon de mestvaalt om te zetten. Moedeloos ging Kuubke naar huis. Een paar dagen kwam Door , Kuubke weer tegen en zei : als veldwachter ben je wel goed, maar om een val te vinden ben je te klein. Ik weet het al zei Kuubke , hij hing boven mijn hoofd in de boom.
Verhaal T37: Ooften
Thei Neijnens

Koeele Sjaak en Veltjes Thieu  ( Ome Thieu van Hokeberg) gingen vreuger eens buurten bij Leyssen. Leyssen op de hoek Tungelerdorpstaat –Maaseikerweg, waar hille sjef en Beth hebben gewoond. Leyssen had ook een cafe en die werd in die tijd nog verwarmd door een stevige belse kachel, waar je de voeten op kon houden ,om ze te warmen. Zo zaten hier ook de dochters des huizes met opgetrokken knien hun voeten te warmen. waarop Koeele Sjaak zei : "Thieu ze zijn hier nog laat aan het ooften drogen".
Verhaal T38: Misdienaars op reis
Thei Neijnens

Pastoor ging met de misdienaars een week op vakantie. Zij hadden allemaal een heel mooie week gehad , lekker kunnen spelen en al met al een prachtige vakantie , dat vond de pastoor ook. Toen zij weer terug waren werden zij door hun ouders aan de kerk weer opgehaald. Pastoor ging naar een ouder en vroeg hem of hij zich toch even met zijn zoon wilde onderhouden , want hij kent nogal veel liedjes , die niet zo’n mooie tekst hebben , zingt hij die liedjes dan hard ? vraagt de vader. Neen zegt de pastoor : hij fluit ze.
Verhaal T39: Pastoor Pont
Thei Neijnens

Pastoor Pont had in die tijd nog geen auto , dus fietste hij altijd.In die tijd waren de rokjes bij de meisjes ook nogal kort.Pastoor die naar Weert fietste kwam een Tungelders meisje tegen , zij had pastoor in de verte ook al gezien en trok haar rokje een beetje naar beneden , waarop pastoor riep, trek maar niet meiske , want wat je van onder bijtrekt , dat kom je van boven te kort.
Verhaal T40: Muizers zijn fietsplaatje
Thei Neijnens

Voor de tweede wereldoorlog moest men een plaatje kopen om aan de fiets vast te maken , zodat men kon zien  dat je belasting voor de fiets had betaald. Muizers Wullem , die was getrouwd met Mina Pleunis , kwam van Stramproy af fietsen en was zijn fietsplaatje verloren. Hij zei tegen Mina , ik ben mijn fietsplaatje kwijt. Ben jij je fietsplaatje verloren ? Neen zei Wullen , dat ben ik niet verloren , het touwtje is los gegaan en toen is dat gevallen.
Verhaal T40: Koone Sjang
Thei Neijnens

Koone Sjang komt bij Linj Handrie en zegt : ik moet de gierton  (zeikton ) hebben , mijn moeder zei altijd , "als je iets beleefd vraagt , krijg je het altijd".
Verhaal T41: Tinuske
Thei Neijnens

Als ik naar bed ga drink ik altijd een cognacje ,dan slaap ik goed , maar ik drink er altijd maar een. Dat is waar zei Jan , maar hij drinkt hem wel uit een mosterdglas.
Verhaal T42: Nieuwjaarswensen
Thei Neijnens

Thei en Rien Neijnens gingen op Nieuwjaarsdag voor de Hoogmis naar de oude koster en Truke  om nieuwjaar te wensen , wij woonden in die tijd daar in de buurt.Na hun een zalig nieuwjaar te hebben gewenst , zegt de koster tegen Truke ; ( Truke is jaren in het klooster geweest , maar is naar huis gekomen om haar vader te verzorgen), "geef Thei een sigaartje". Truke presenteerde een sigaartje in een klein doosje , waar nog cellofaan op zat , ik kon dat sigaartje er niet zo vlug uitnemen , waarop ik zei : "ik weet niet hoe dit in elkaar zit", waarop Truke antwoordde : "Ik heb al jaren geweten hoe het in elkaar zit, maar ik heb er nog nooit wat aan gehad." 
Verhaal T43: Ome Tjeu van Hookeberg
Thei Neijnens

Ome Thieu ( woonde toen op Linj ) moest in 1914 , de eerste wereldoorlog in militaire dienst , op de vroege ochtend vertrok hij, samen met Kollee, met de trein naar Oldebroek. Een hele reis in die tijd. In mineur stemming ging het naar de kazerne in Oldebroek.In de trein werd weinig gepraat, want velen hadden vrouw en kinderen moeten achterlaten. Op een station aangekomen ( wat later Nunspeet bleek te zijn ) vroeg Kollee, waar zijn wij hier ergens ? In Nazereth  : zei de stationchef . Oh zei Kollee , dan ben jij zeker de ezel. Dit was de eerste keer dat er gelachen werd .
Verhaal T44: Bij de sjruur
Thei Neijnens

In een zeer barre winter waren die van Seevens op stap  geweest en als die op stap gingen dan werd er gedronken , vreselijk veel gedronken maar midden in de nacht moest men eruit , een wc op de bovenverdieping was er niet , het enige wat er wel was is een raam. Dus met zijn allen in het raam en plassen. Maar het was winter en zelfs een barre winter . ‘smorgens , aldus Thei stonden er drie erebogen , daar liepen ons vader en moeder onderdoor toen zij naar de Mis gingen. Wie dat niet geloven kan die gaat maar vragen aan de oude Mackus, want die heeft ‘s anderdaags met de aks omver geslagen.
Verhaal T45: Oude koster ook handelsman
Thei Neijnens

De koster verkocht ook af en toe een vaars of koe , maar een mooie vaars met wrang aan de uier kon hij maar niet verkopen .Maar Drina zijn vrouw wist daar wel raad op. Een paar dagen later kwam een koopman om een koe te kopen en de koe werd verkocht,doch daar kwam Drina op de stal en vroeg aan de koster wat hij verkocht had  , waarop hij antwoordde dat de oude koe was verhandeld .Ja maar Sjang zei Drina  , je hebt toch die koe niet verkocht, daar was ik zo aan gehecht ,die kan ik echt niet missen. Wil je dan die vaars nemen zegt de koster tegen de koopman .Dit gebeurde en de koster was van zijn vaars verlost. Dit met de hulp van zijn vrouw.
Verhaal T46: 't Sjruurke
Thei Neijnens

Handrie Seevens ( ’t Sjruurke )  ging altijd naar de winkel van Sjang Hendrikx  ( Hoeebe Sjang ) om pijptabak te kopen. 1 pakje tabak kostte vijftig en een halve cent , dus Handrieke kocht altijd twee pakjes  , dat was goedkoper. Sjang die toch van een grapje hield , maar evengoed kon grommen zei tegen de sjruur , hum ,hum , 1 pakje is weer te duur gromde Sjang  , och zei het sjruurke , ik zou er wel 1 kopen , als jij niet zo een lelijk , ingemaakt ,dichtgenaait  varken was. Toen ging hij zitten in een stoeltje voor de toonbank , stopte zijn pijpje en zei tegen Sjang , nu zit ik hier alsof ik me pas gebiecht heb.
Verhaal T47: Pastoor Pont
Thei Neijnens

Vroeger in die goeie ouwe tijd toen deelde de pastoor nog de hostie uit op de tong. In die tijd waren er ook al enkele dames die de lipjes verfden , iets wat pastoor al gelijk was opgevallen en bij het uitreiken van de hostie zei : Lieve Heerke uitkijken , pas geverfd.

Jo v/d Velde vertelde , dat hij bij pastoor Pont op bezoek was geweest en  vroeg aan de pastoor , hoe gaat het nog met de mensen in Tungelroy? (In die tijd moest de pastoor nog leven van de misintenties die de parochianen bestelden en van de diensten bij overlijden)
Ja, ja zei Pont: het zijn goeie mensen maar gierig zijn die boeren, ze zijn nog te gierig om dood te gaan , want dat gunnen zij de pastoor nog niet.

Koster Th Seevens
In de oorlog was er na het zondagse lof ook nog  H.familie waar pastoor ook dan weer de nodige tijd preekte. De koster , die in het cafe had gezeten tot voor het lof kon dit allemaal niet meer opbrengen en viel in een zeer diepe slaap. Pastoor riep al een paar maal naar boven  maar de koster sliep de slaap der onnozele. Met geen mogelijkheid wakker te krijgen, waarop pastoor zei : die heeft zijn belasting betaald.Hille Merieke is naar het oxaal gegaan en had hem binnen 10 min.wakker.
Verhaal T48: Spek Ties
Thei Neijnens

Spek Ties woonde achter op de Pelmersheide zo ongeveer tegen de Krang aan.Het was een zeldzaam figuur met veel sterke verhalen. Zo ging hij ook op jacht , gewapend met jachtgeweer.Een haas wist hij al zitten , maar toen hij zijn geweer wilde laden ontdekte hij dat zijn patronen met hagel op waren. Maar geen nood , hij deed klompenspijkers in zijn geweer en ging op jacht, zag een haas en schoot hem met een spijker door zijn oor aan een boom vast. Ook had hij een heel goede jachthond , een echte Duitse  staander , als hij een konijn of haas zag bleef hij staan . Op een gegeven moment was Ties zijn hond kwijt  en na een jaar vond ik zijn geraamte terug , aldus Ties.
Verhaal T49: Biele Pier
Thei Neijnens

In de oorlog maakte ze bij ons ( bij linj) van koolzaad olie. Mensen brachten koolzaad en haalden later de olie  op .Zo ook Biele Pier en Tjeu van max , die na veel lange en mooie verhalen weer huiswaarts gingen met hun olie , maar zo zeiden zij , we zullen bij Moeene Sjengske toch eerst de wc bril even smeren , dan zitten die vrouwen die morgenvroeg voor de Mis nog even van
det huuske gebruik maken er ook gesmeerd bij.
Verhaal T50: Swaale Pierke
Thei Neijnens

Swaale pierke ging een keer te voet naar Weert. Eigenlijk niks bijzonders in die tijd , want men had gewoon geen fiets  en omdat men te voet moest gaan had men ook meer om naar te kijken en om over na te denken .
Pierke kwam op Moezel en daar was een stoere jonge vrouw aan het ploegen , dat ploegen was niets bijzonders , maar omdat het een meisje was , moest Pierke toch zeker wat zeggen. Maar , maar meisje toch zei Pierke jij ploegt kromme voren. waarop het meisje antwoordde: Kromme konten schijten ook . Ja zei Pierke dat zal ik best geloven maar die slabben wel een beetje.
Verhaal T51: Koele Tjeu
Thei Neijnens

Vroeger was in Tungelroy met het feest van St.Barbara (patrones van de kerk) altijd een beetje kermis .Er stond natuurlijk helemaal niets om kermis te vieren maar dat maakte in die tijd ook helemaal niets uit. Het was sinter berb kermis en was dan er altijd een vrouw  genaamd "Moppe Sie". Die stond na de Hoogmis (er was altijd Hoogmis en daar kwamen nog veel Royer mensen naartoe) met koekjes te venten.Daar roept zij op Koele Tjeu : "Hee meneer een koekje voor je liefje" ? "Neen zegt Tjeu , lieveke lust niets."
Verhaal T51: Tiewe Fried
Thei Neijnens

In de oorlog viel er in de buurt Max Kuppens (Biele max) op de Thewenveldweg een Engelse bommenwerper , op dat moment liep een Belgische smokkelaar ( genaamd Peen Geel ) van Bieele
naar Tieewe Fried .Hij had ook nog een zak bij zich met een kater,  dat vliegtuig bleef hem maar achtervolgen en Geel maar lopen zo hard hij kon. Peen geel , zei Fried: die had een snor wie een zoeklicht , maar die hing nou naast zijn mondhoeken naar beneden van het harde lopen en de angst.

Tieewe Fried zijn jungelkes.
Als Fried het over zijn kinderen had ,spak hij altijd van jungelkes. Toen Pier een keer uit school kwam ging hij bij Versteegen (Iemes Sjang) aan de kersen, maar hij had Sjang niet gezien. Die wachtte hem bij de poort op en legde hem even over de knie. Pier liep naar huis en vertelde dat tegen Fried .(zijn vader) Dadelijk als ik weer naar school ga , gooi ik hem de ruiten in. Jamaar jongetje dat moet je toch maar niet doen zei Fried. Maar je weet hoe jungelkes zijn , hij zou direct wraak willen nemen, wat hij dan toch maar niet gedaan heeft.

Heel slim.
Drees van Tieewe werkte bij Tieewe Fried mee op de boerderij, hij werkte hele dagen samen Fried. Zeggen de kinderen van Fried: als wij later allemaal groot zijn , dan hebben wij middag het werk af. Die jungelkes zijn toch al vroeg slim zei Fried.
Verhaal T52: Versteegen Sjang
Thei Neijnens

Sjang Verstegen had mest uitgereden in hopen op het land tegenover Koele. Aangezien het Sjang nogal druk had gingen die van koele  ’s avonds bij maanlicht dat mest uitspreiden , zodat Sjang dat land kon ploegen. De volgende dag zag Sjang dat het mest gespreid was en dacht dat die van koeele dit hadden gedaan. Dus hij zei tegen Giel en Jan,volgens mij hebben de kabouters het mest gespreid , maar zij hadden het wel iets beter kunnen doen. Alleen had er niet aan gedacht dat hij geen  tijd had om het direct te ploegen. Met het gevolg dat die van Koele ’s avonds weer alles bijelkaar harkten.
Verhaal T53: Wils Janke
Thei Neijnens

Janke had zijn hele leven goed gedronken. Nooit dorst geleden. Pastoor Pont was van oorsprong een zuinig mens , dus hij stookte in de oorlog de verwarming in de kerk niet , want daar raakte de olie mee op . Na de oorlog wilde hij de verwarming weer aanzetten maar toen bleek dat de olie toch op was , want de olietank was lek. Wils Janke , was precies naast die tank begraven , zegt de oude koster : nou is Janke altijd in de olie geweest en nu ligt hij er weer in.
Verhaal T53: Waar de kogels van de schutterij terecht kwamen
Tjeu Rutten

De schutterij St. Barbara had haar eerste schietboom  bij Caf "ut Stuupke". Toen de schutterij in het begin van haar oprichting de rode vlaggen moest plaatsen om de mensen te waarschuwen voor het schietgevaar tijdens de schietoefeningen gingen we in het veld zitten waar we dachten dat de kogels neerkwamen. Dat was een akker dicht bij de plaats waar naaktrecreatie was (red: Paluda). Deze akker was toevallig ook eigendom van Meije Sjaak, lid van dezelfde schutterij. Wij gingen de akker in om te luisteren of er iets neerkwam. We beschermden ons met ijzeren zaaikorven. Deze hielden we boven ons hoofd zodat daar de kogels opkwamen als ze naar beneden kwamen. Wel hoorden we ze naast ons neerploffen in het zand. Toen wisten we dat ze niet over de weg (Telheidestraat) gingen. Toch kwam er toch soms een verdwaalde kogel in het nudistenkamp terecht. De schutters kregen dat dan ook te horen van hen bij de schietboom. Er waren dan ook hilarische lachjes. Je kon je dat dan ook voorstellen hoe dat was.
Verhaal T54: In ierste instansie waasj geine dief!
Harrie Seevens

In de jaore midde tachentjig beltjer bie Tieeve op de Pelmershei hoe Jan Sjaak en Pier woendje teege de avendj eine vreemdje mins aan.
Wat waas ut geval, hae haaij Jan ziene knalroeije sportwaage op ut erf zeen staon.
Deze haaij Jan korte tieed van te veure gekocht.
Hae dacht ig laot neemes achter, ig heb gein vrouw, gein kinjer, ig kaup mig eine sjoene sportwaage.
Naodet dae mins haet aangebeldj zweitj de deur oope, hoe kan ig ug met hellepe zeet Sjaak!.
Je zeet dae vreemdeling, ig mot om neuge oor erges zeen, mer ig ben te voot en det haal ig noets,
mer noe zaag ig dao det autooke staon, ig dacht gank ins vraoge of ig dae efkes kan liene, dan bring ig dae straks weer truk.
Mer nateurlik zeet Sjaak, as ig eine mins kan hellepe zeetj gae hiej aan ut gooije adres.
Sjaak zal waal gedacht hebbe asse de autoo woeije staele haaije ze noets aangebeldj.
Sjaak Pier en Jan hebbe waeke gewachtj, mer ze hebbe de autoo  noets mieer gezeen.


DUS TOCH EINE DIEF!!!!!